|
|
How could a connoisseur of violin history not swoon on browsing randomly through the list of jury members in, for example, 1971: Avramov, Bobesco, Calvet, Francescatti, Gulli, Kogan, Kurtz, Menuhin, Neaman, Octors, Odnopossoff, Raskin, Stern, Szigeti, Uminska, and Vegh? Examples like that could be multiplied, but this is not the place for lists of that kind: the Competition’s excellent website does that job.
|
|
|
Le prestige de ces jurys est indéniable. Le fin connaisseur de l'histoire du violon pourrait-il éviter la pâmoison, en lisant au hasard la liste des jurés en 1971 : Avramov, Bobesco, Calvet, Francescatti, Gulli, Kogan, Kurtz, Menuhin, Neaman, Octors, Odnopossoff, Raskin, Stern, Szigeti, Uminska, Vegh ? De tels exemples pourraient être multipliés, mais ces listes n'ont pas leur place ici ; l’excellent site internet du Concours y pourvoit parfaitement. La certitude est là, indiscutable : la capacité de jugement d'un tel jury est évidemment immense. Les questions que soulèvent les palmarès n'en sont que plus enrichissantes. À l'écoute des archives du Concours, la tentation est grande, évidemment, d'instruire en un appel tardif un procès historique. Ah ça ! Comment ces grands maîtres ont-ils pu en 1952 classer Entremont 10e et Hans Graf 11e ? Pourquoi Vasary ne fut-il classé que 6e en 1956 ? Zakhar Bron, le maître de Repin et de Vengerov, méritait-il bien d'être 12e en 1971 ? Était-il fondé de classer Egorov 3e en 1975, derrière deux compatriotes aujourd'hui fort discrets ?
|
|
|
Het prestige dat deze jury uitstraalt, is onmiskenbaar. Elke kenner van de vioolgeschiedenis kan niet anders dan in vervoering raken bij het lukraak doorbladeren van de lijst juryleden. Neem nu 1971: Avramov, Bobesco, Calvet, Francescatti, Gulli, Kogan, Kurtz, Menuhin, Neaman, Octors, Odnopossoff, Raskin, Stern, Szigeti, Uminska, Vegh. En zo zijn er nog tal van voorbeelden, maar we willen hier geen verdere opsommingen brengen; daar zorgt deze uitgebreide website voor. Eén zaak staat onomwonden vast: het beoordelingsvermogen van zo een jury is natuurlijk enorm. En dat maakt de vragen die de lijsten van prijswinnaars oproepen des te meer verrijkend. Het is uiteraard zeer verleidelijk om bij het beluisteren van de wedstrijdarchieven een verlate rechtszaak in te leiden tegen een historisch proces. Neen maar! Hoe is het mogelijk dat deze grote meesters in 1952 Entremont 10de en Hans Graf 11de plaatsten? Waarom werd Vasary in 1956 slechts 6de? Verdiende Zakhar Bron, leraar van Repin en Vengerov, die 12de plaats wel in 1971? Was het gegrond om Egorov in 1975 tot 3de uit te roepen, na twee landgenoten rond wie het vandaag wel erg stil is?
|