|
|
De Hunnen waren nomaden die vanuit de steppen van Centraal-Azië in de vierde eeuw gt Oost-Europa waren binnengetrokken. Daarvoor hadden de Hunnen al enkele eeuwen lang de noordgrens van China geteisterd (daar bekend als Hunnu of Xiongnu). Zij waren sterk verwant aan ‘Altaïsche’ ruitervolken als de Scythen, Sarmaten, en Alanen — die hen voorgingen — en de Bulgaren, Avaren, Chasaren, Magyaren, Turken, en Mongolen — die allemaal ná de Hunnen een rol van betekenis op de grens van Europa en Azië zouden spelen. In 434 gt volgde Attila de Hun (*406–†453 gt) zijn oom op als khan (= ‘leider’) van de horde der Hunnen, samen met zijn broer. In 445 gt werd Attila alleenheerser door deze broer om te brengen. Het territorium van de Hunnen, met Pannonië aan de Donau als uitvalsbasis, had geen vaste grenzen en Attila de Hun regeerde het niet als een staat. Hij werd berucht als plunderaar bij verschillende Germaanse volken en hij leende zijn troepen — boogschutters te paard — als huurlingenleger aan het Westromeinse Rijk, in ruil voor goud. Door afpersing kon hij nog meer goud innen bij de Oostromeinse keizer in Constantinopel. Toen Attila de Hun ook in Gallië aan het plunderen sloeg, brachten de Romeinen en Visigoten hem met vereende krachten een nederlaag toe, op de ‘Catalaunische’ velden bij het huidige Châlons-en-Champagne. Een korte strooptocht door Noord-Italië was zijn laatste bedreiging voor Rome. Attila de Hun stierf een jaar later door een overdosis alcohol in combinatie met een neusbloeding.
|